Maar is dat eigenlijk een probleem?
Je haalt speelgoed boven waarvan je dacht: hier gaat hij wel even zoet mee zijn. Twee minuten later ligt het aan de kant. Dan worden de auto’s bovengehaald. Even rijden. Klaar. Een puzzel. Drie stukjes. De blokken. Eén toren.
En voor je het weet heeft je kind in twintig minuten tijd ongeveer de halve speelgoedkast aangeraakt, maar voelt het alsof het nergens écht mee gespeeld heeft.
Als ouder kan dat behoorlijk frustrerend zijn. Zeker als je regelmatig hoort dat kinderen toch “zelfstandig moeten leren spelen” of ziet hoe andere kinderen schijnbaar eindeloos verzonken zitten in één activiteit.
Misschien vraag je je zelfs af: Waarom kan mijn kind zich nergens langer mee bezighouden?
Maar hoe lang een kind met iets bezig blijft, zegt op zichzelf verrassend weinig over de kwaliteit van dat spel.
Een jong kind kan in een paar minuten ontzettend geconcentreerd onderzoeken:
- Wat gebeurt er als ik deze bal hier laat vallen?
- Kan deze auto onder die stoel?
- Hoe krijg ik deze twee blokken op elkaar?
Daarna kan die nieuwsgierigheid alweer verzadigd zijn en trekt iets anders de aandacht.
Zeker bij jonge kinderen zijn aandacht en zelfregulatie nog volop in ontwikkeling. Het vermogen om de aandacht langere tijd bewust bij één taak te houden groeit tijdens de kinderjaren verder.
Het ene kind bouwt twintig minuten geconcentreerd aan één constructie. Een ander kind rijdt even met een auto, loopt naar de speelkeuken, komt terug naar de auto en ontdekt onderweg nog een doos waar blijkbaar ook dringend iets mee moet gebeuren.
Dat hoeft niet te betekenen dat het tweede kind slechter speelt.
Kijk eens naar betrokkenheid in plaats van minuten
Als kinderpsycholoog vind ik het interessanter om te kijken naar wat er tijdens die vijf minuten gebeurt.
Is je kind echt aan het kijken? Probeert het verschillende dingen? Herhaalt het een handeling? Verandert het iets wanneer iets niet lukt? Bedenkt het zelf een nieuw gebruik voor het materiaal? Komt het later nog terug naar hetzelfde spel?
Dan is er misschien veel meer leren en ontdekken aan de gang dan je op basis van de speelduur zou denken. Lang spelen is niet automatisch diep spelen. En kort spelen is niet automatisch oppervlakkig spelen.
Maar soms raakt spel wél voortdurend versnipperd en lijkt eigenlijk niets de aandacht echt te grijpen. Dan loont het de moeite om niet alleen naar je kind te kijken, maar ook naar de speelomgeving.
Drie dingen die je thuis eens kunt proberen
1. Haal tijdelijk een deel van het speelgoed weg
Niet omdat minimalistisch opvoeden beter is. Maar gewoon als experiment.
Kies bijvoorbeeld een paar dingen die je kind momenteel interessant vindt en zet de rest enkele dagen uit het zicht.
Niet twintig verschillende categorieën, maar bijvoorbeeld:
- auto's
- enkele blokken
- een paar dieren
- één open materiaal zoals karton, magnetische tegels of een doek
Kijk vervolgens niet meteen of je kind “langer” speelt. Kijk of het meer doet met wat er ligt.
Dan zie je misschien dat minder keuze ruimte maakt voor meer verdieping. Die mogelijkheid sluit aan bij het experiment waarin peuters bij een kleiner speelgoedaanbod langer en gevarieerder met afzonderlijk materiaal speelden.
2. Voeg één element toe in plaats van nieuw speelgoed boven te halen
Wanneer je merkt dat het spel stilvalt, hebben we snel de reflex: “Zullen we iets anders pakken?”
Probeer eens het tegenovergestelde. Laat liggen waarmee je kind al bezig was en voeg één klein element toe.
- Bij auto's bijvoorbeeld: “Zouden we een brug kunnen maken?” En leg een paar blokken neer.
- Bij dieren: “Waar zouden die kunnen slapen?” En geef een doos of doek.
- Bij speeldeeg: leg er enkele dieren of voertuigen naast.
Je introduceert zo geen volledig nieuw spel, maar geeft het bestaande spel een nieuwe richting.
Onderzoek naar spel laat zien dat kinderen veel kunnen leren wanneer zij zelf de leiding houden, terwijl een volwassene af en toe net genoeg ondersteuning of materiaal aanbiedt om het spel verder te brengen. Dat principe wordt vaak beschreven als guided play.
3. Stop met meten hoe lang je kind speelt
Deze klinkt misschien wat vreemd, maar probeer het eens één middag.
Kijk niet: Hij was daar maar vier minuten mee bezig.
Kijk in plaats daarvan naar drie andere dingen:
- Was mijn kind betrokken?
- Heeft het iets onderzocht of uitgeprobeerd?
- Bouwde het voort op een eigen idee?
Een kind dat vijf minuten volledig geconcentreerd probeert een brug te bouwen en daarna gaat bewegen, heeft niet noodzakelijk een slechter speelmoment gehad dan een kind dat twintig minuten gedachteloos auto's heen en weer rijdt.
En als je kind regelmatig wisselt, kijk dan ook eens wat er over een langere periode gebeurt.
Misschien lijkt het alsof er vijf afzonderlijke spelmomenten zijn, terwijl je kind eigenlijk voortdurend ideeën meeneemt van de ene plek naar de andere.
Kijk naar je kind, niet naar het ideale plaatje van zelfstandig spelen
We zien graag een kind dat twintig, dertig of zelfs zestig minuten helemaal zelfstandig verdiept zit in een spel. Voor ouders is dat natuurlijk ook praktisch heerlijk.
Maar dat beeld hoeft niet de norm te worden waaraan we goed spel afmeten. Leeftijd speelt mee. Temperament speelt mee. Interesse speelt mee. De omgeving speelt mee. En het speelgoed zelf speelt mee.
We willen niet per se langer spel. We willen rijker spel.