Er staat een halfgebouwde dierentuin op de grond. Drie Duplo-huisjes zonder dak. Een rij auto’s die blijkbaar allemaal naar dezelfde denkbeeldige camping onderweg zijn en in het midden van de kamer ligt nog een deken die gisteren een grot, een ziekenhuis én een hondenmand is geweest.
Voor jou ziet het er misschien uit als: rommel die nog moet worden opgeruimd.
Voor je kind kan het iets helemaal anders zijn. Het is een verhaal dat nog niet klaar is. En toch doen we als ouders vaak bijna automatisch het tegenovergestelde. Eerst de blokken opruimen voor de Playmobil uit de kast mag. Aan het einde van de dag alles weer in de bakken. Morgen kunnen we opnieuw beginnen.
Logisch ook. Want speelgoed ligt tegenwoordig zelden in een aparte speelkamer met een deur die je gewoon kunt dichttrekken. Er wordt gespeeld in de woonkamer, naast de zetel, onder de eettafel en op exact dat stukje vloer waar jij ’s avonds graag nog zonder hindernissen voorbij zou willen lopen.
Ik wil je uitnodigen om af en toe eens anders naar die achtergelaten bouwwerken te kijken. Want misschien hoeft je kind morgen helemaal niet opnieuw te beginnen. Misschien kan het gewoon verder spelen.
Spelen begint vaak lang vóór wij denken dat het begint
We denken bij spelen vaak aan het zichtbare stuk: je kind neemt speelgoed en begint ermee te spelen. Maar zeker bij fantasie-, constructie- en open einde spel gebeurt er cognitief veel meer.
Een kind bouwt niet alleen een toren. Die toren wordt een gevangenis. Of een luchthaven. Of het huis van een draak. Naast die toren komt een weg. Daarna blijkt er een brandweerwagen nodig. Vervolgens moeten er dieren gered worden en ineens is de zetel een berg waar niemand zonder helikopter vanaf geraakt.
Spel bouwt verder op eerdere ideeën.
Dat is net één van de sterke kanten van vrij en fantasierijk spel: kinderen combineren materialen, veranderen functies, bedenken problemen en zoeken oplossingen. Onderzoek naar open-ended en zogenoemd loose parts play beschrijft hoe kinderen tijdens dit soort spel experimenteren, hypotheses uitproberen, materialen op nieuwe manieren combineren en zo onder andere creativiteit, probleemoplossend denken en ruimtelijk inzicht aanspreken.
Hun spelwereld wordt gaandeweg rijker.
En dan zeggen wij: “Kom, nu alles terug in de bak.”
Voor ons is een spoorbaan uit elkaar halen een taak van vijf minuten. Voor een kind kan het betekenen dat een volledige context verdwijnt.
Wanneer alles verdwijnt, moet je kind bij een volgend speelmoment opnieuw: bedenken waarmee het wil spelen, materiaal verzamelen, een beginsituatie creëren, opnieuw betekenis geven aan de omgeving en opnieuw in dat verhaal komen. Dat vraagt mentale energie.
Ik vergelijk het soms met volwassen werk. Stel je voor dat je bezig bent aan iets waarvoor je helemaal in een flow zit. Je hebt papieren openliggen, drie tabbladen naast elkaar staan, enkele notities gemaakt en je weet exact waar je morgen verder wil. En iedere avond moet je alles sluiten, verwijderen en wegbergen. De volgende ochtend krijg je een leeg bureau. Je kúnt natuurlijk opnieuw beginnen. Maar je moet wel eerst weer even reconstrueren: waar was ik ook alweer?
Voor kinderen kan achtergelaten spel precies die functie hebben.
Het is een geheugensteuntje voor hun fantasie.
Ze zien de volgende ochtend die dierentuin staan en ze zijn opnieuw vertrokken.
Continuïteit maakt rijker spel mogelijk
Vanuit ontwikkelingspsychologisch perspectief is vooral dat verderbouwen interessant.
Wanneer kinderen voldoende vrijheid krijgen binnen hun spel, beslissen ze zelf wat er gebeurt, onderhandelen ze over rollen en regels en passen ze hun ideeën voortdurend aan. Fantasiespel wordt daardoor steeds complexer en doet onder andere een beroep op planning, flexibiliteit, sociaal denken en zelfregulatie.
Ook de omgeving speelt hierin een grotere rol dan we soms beseffen. Onderzoek in kinderopvangomgevingen laat zien dat de manier waarop ruimtes en materialen worden ingericht mee bepaalt welk soort spel ontstaat. Sterk afgebakende ruimtes en vooraf bepaalde materialen kunnen spel voorspelbaarder maken, maar tegelijk de vrijheid beperken waarmee kinderen hun eigen ideeën en materialen combineren.
Dat betekent niet dat een woonkamer één grote permanente bouwplaats moet worden. Wel dat we soms mogen beseffen: de speelomgeving is geen neutrale achtergrond. Ze denkt als het ware mee met het kind. De fysieke sporen van gisteren worden de inspiratie van vandaag.
“Maar ik wil ’s avonds ook gewoon een normaal huis”
Begrijpelijk. Dit is misschien het punt waarop theorie en ouderschap elkaar een beetje in de weg beginnen te zitten.
Want ik ben niet alleen psycholoog. Ik ben ook mama.
En nee, ik heb ’s avonds evenmin behoefte om eerst over zeven magnetische tegels, twee tractoren en een plastic krokodil te klauteren voor ik aan de zetel geraak.
Een huis is bovendien niet alleen een speelomgeving voor kinderen. Het is ook de plek waar ouders moeten kunnen koken, lopen, opruimen, tot rust komen en soms gewoon even visueel géén speelgoed willen zien.
Daarom gaat dit voor mij helemaal niet over: “Je mag speelgoed nooit meer opruimen.”
Het gaat over bewuster kiezen wanneer opruimen echt nodig is. En vooral: niet automatisch aannemen dat opruimen altijd het beste eindpunt van spel is.
Probeer eens niet onmiddellijk te zeggen: “Kom, opruimen.”
Vraag: “Ben je hiermee klaar, of wil je morgen nog verder spelen?” Het antwoord zal je soms verrassen. Kinderen weten vaak heel goed welk spel “af” is en welk spel nog ergens in hun hoofd verder leeft.
Is je kind klaar? Prima. Dan kan alles weg. Is er een bouwwerk of verhaal waar het morgen mee verder wil? Kijk dan of een stukje ervan kan blijven staan.
Dat hoeft helemaal geen halve woonkamer te zijn. Misschien mag één treinspoor blijven liggen. Eén bouwwerk op een kast. Eén speeltafel onaangeroerd. Of één hoek van de kinderkamer die even niet wordt opgeruimd.
De eigen kamer als oefenruimte voor onafgemaakt spel
Vind je speelgoed laten staan in de woonkamer lastig? Dan is de eigen kamer vaak een fijne plek om ermee te experimenteren. Spreek bijvoorbeeld af dat bepaalde bouwwerken of fantasiewerelden daar enkele dagen mogen blijven bestaan.
Je geeft je kind daarmee niet alleen fysieke ruimte, maar ook psychologische ruimte. De boodschap wordt: Wat jij hier aan het maken bent, hoeft niet onmiddellijk te verdwijnen.
Vrij spel waarin kinderen zelf richting mogen geven aan wat er gebeurt, biedt kinderen juist veel mogelijkheden om initiatief te nemen, keuzes te maken en invloed te ervaren op hun eigen spelwereld.
Want soms zijn wij volwassenen heel erg gericht op het eindresultaat. De puzzel moet af. De blokken moeten terug in de bak. De kamer moet weer leeg zijn. Terwijl spelen voor kinderen helemaal niet noodzakelijk een duidelijk eindpunt nodig heeft.
Soms kijk ik thuis naar iets dat al twee dagen op de grond staat en voel ik ook die automatische neiging: Nu is het genoeg geweest.
En soms ruim ik het ook gewoon op. Want ook dat is het echte gezinsleven.
De kracht van spel is: het hoeft niet efficiënt te zijn, mooi te staan of tegen het einde van de dag voltooid te zijn. Spel draait juist om vrijheid, flexibiliteit, betrokkenheid en het proces zelf.
Dus misschien hoeft niet alles vanavond terug in de speelgoedbak.
Misschien mag die dierentuin nog één nachtje blijven staan.
Wie weet wat er morgen nog gebeurt.